“Oude” bescherming arbeiders tegen willekeurig ontslag wordt door het Grondwettelijk Hof discriminatoir beschouwd

Historisch gezien werd aan arbeiders een grotere bescherming geboden tegen willekeurig ontslag (art. 63 arbeidsovereenkomstenwet) teneinde de langere opzeggingstermijnen voor bedienden te compenseren, waardoor deze laatsten zich reeds beter tegen ontslag beschermd zagen.

In haar arrest van 7 juli 2011 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de verschillende behandeling van arbeiders en bedienden betreffende de opzeggingstermijnen en carenzdag vanaf 8 juli 2013 als discriminerend aanzien zou worden.

Deze beslissing gaf aanleiding tot de Wet Eenheidsstatuut, die de opzeggingstermijnen van arbeiders en bedienden harmoniseert en de carenzdag afschaft.

In haar recente arrest van 18 december 2014, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de specifieke ontslagbescherming voor arbeiders zoals vervat in het hoger vermelde artikel 63 discriminerend is. Het Grondwettelijk Hof heeft dus opnieuw een bestaande verschillende behandeling tussen arbeiders en bedienden veroordeeld.

De beslissing van het Hof voorziet echter dat de effecten van het hoger vermelde artikel 63 behouden blijven tot 1 april 2014. Op deze datum trad immers CAO nr. 109 in werking die een uniform systeem betreffende de ontslagmotivering van arbeiders en bedienden in de privé sector voorschrijft.

Om meer te weten, lees hier onze newsletter.

Voor meer informatie, contacteer Nele Van Kerrebroeck op+32 (0)2 501 90 66 of via nele.van_kerrebroeck@linklaters.com.