In welke mate dient de anciƫnniteit als interim werknemer meegeteld te worden?

Ter herinnering

De Wet Eenheidsstatuut heeft een artikel in de Wet Arbeidsovereenkomsten ingevoegd waardoor de voorafgaandelijk verworven anciënniteit als uitzendkracht onder bepaalde voorwaarden in rekening dient worden gebracht. Deze regel was niet nieuw, aangezien de IPA-wet deze ook reeds ingevoegd had.

De anciënniteit als uitzendkracht zal volgens art. 37/4 Wet Arbeidsovereenkomsten voor maximaal één jaar in aanmerking moeten worden genomen in het geval van opzegging door de werkgever. Dit zal echter enkel het geval zijn als de aanwerving als werknemer onmiddellijk of met een onderbreking van maximaal zeven dagen volgt op de periode van uitzendarbeid én als de werknemer aangeworven wordt in identiek dezelfde functie.

Vraag

De vraag stelt zich in welke mate er rekening gehouden moet worden met de voorafgaande anciënniteit als interim voor een werknemer die nu ontslagen wordt maar die reeds aangeworven was vóór de IPA-wet (dus vóór 1 januari 2012).

Mogelijke antwoorden

Indien men een strikte interpretatie van de wet volgt, kan men o.i. vaststellen dat er voor de werknemers die in dienst traden vóór 1 januari 2012 geen interim anciënniteit dient meegeteld te worden. Voor de berekening van “Stap 1” (vaak “het rugzakje” genoemd) van de opzeggingstermijn, dient volgens art. 68 Wet Eenheidsstatuut immers gebruik gemaakt te worden van de wettelijke bepalingen die van toepassing waren op 31 december 2013. Op datum van 31 december 2013 diende de anciënniteit als interim niet meegenomen te worden voor deze werknemers, waardoor er geen bijkomende interim anciënniteit meegeteld dient te worden.

Uit een aantal concrete dossiers blijkt echter dat vakbonden een andere interpretatie voorstaan en van mening zijn dat de interim anciënniteit (volgens de voorwaarden zoals opgesomd in artikel 37/4 Wet Arbeidsovereenkomsten) voor alle werknemers dient meegenomen te worden. Men komt tot deze conclusie door in de Wet Eenheidsstatuut een onderscheid te maken tussen de vaststelling van de anciënniteit enerzijds en de berekening van de termijn anderzijds, waarbij de toepassing van de regels die golden op datum van 31 december 2013 enkel van toepassing geacht wordt voor de berekening van de termijn. Voor de vaststelling van de anciënniteit is men daarentegen van mening dat deze geldt zoals van toepassing sedert 1 januari 2014, inclusief art. 37 / 4 Wet Arbeidsovereenkomsten.

Besluit

Er is nog geen rechtspraak verschenen over deze materie, zodat het onduidelijk is hoe een rechtbank deze vraagstelling zou beoordelen. In de praktijk wordt echter vaak voor de tweede optie gekozen (m.a.w. het in rekening brengen van interim anciënniteit voor alle werknemers, ongeacht de datum van indiensttreding), nu ook sociale secretariaten veelal deze visie onderschrijven.